Ik ben in Bolivia. Net 5 km over de grens met Peru in Copacabana. Dit is niet het hippe strandoord bij Rio maar een bedevaarts- en backpackers oord aan de rand van het Titicacameer dat wel de naamgever is van het decente broertje in Brazilië; Met een whopping 3800 meter met afstand het grootste hooggebergte meer ter wereld. Het Boliviaanse Copacabana is een mix tussen traveler-hippies die verwilderd zijn en hier hun leven doorbrengen met drank en het maken van oerlelijke sieraden, Bolivianen op een weekeinde uit en pelgrims voor de Virgen de la Candelaria.

Colca Canyon

Over wat ik in Yanque heb meegemaakt kan ik zo een apart reisverhaal schrijven maar daarvoor zal ik meer gelegenheid en dus betere internetverbindingen moeten hebben. Ik hou het erop dat naast de prachtige canyon, wilde condors en een dramatisch scherpe zuidelijke sterrenhemel een aan San Pedro cactussen verslaafde Amerikaan die al jaren vastzit in het nietige dorpje en grote visioenen heeft over Peruaanse mototaxi’s op zonnepanelen, één van de attracties was.

Machu Picchu en verder

Vanuit Arequipa heb ik het vliegtuig naar Cusco genomen. Het voorportaal van de Machu Picchu. De hooggelegen stad is, ondanks het massatoerisme, erg de moeite waard en totaal verschillend dan de Spaanse steden aan de kust. Goed genoeg voor een verblijf van een week – al was het alleen al om te wennen aan de hoogte. (Mocht je direct van Lima willen komen). Al aan de rand van de stad doemen de 1e Inca ruïnes op. De goede volgorde van bezoek blijkt: eerst de stad en omgeving, zoals de ruïnes van Sachsayhuaman (door iedereen Sexywoman genoemd), vervolgens de Sacred Valley: een 80 km lange vallei richting Machu Picchu vol met allerlei overblijfselen uit het Inca tijdperk en dan pas Machu Picchu. In de omgekeerde volgorde is alles na Machu Picchu immers futiel geworden.

Machu Picchu is een van de weinige plekken die in het echt net zo indrukwekkend zijn als in de reisfolders. Zowel de architectuur als de locatie waarop het is gebouwd is overweldigend. Ik had een tickets met toegang tot de berg genomen waarop maar 500 mensen per dag worden toegelaten. Toen de mist optrok en de verlaten stad zich openbaarde had iedereen een soort achievement by proxy gevoel. Een gevoel getuige te zijn van iets bijzonders. Machu Picchu bezoeken is een kwestie van geduld hebben. Vaak is het zicht in de ochtend slecht. Juist dan komen alle georganiseerde touristen de berg op en vertrekken vaak alweer voordat het weer is opgeklaard. Nadat dit gebeurd was ontstond het meest dramatische weerbeeld tevoorschijn (stralende zon die restjes wolken over de berg föhnt; het beeld dat je altijd in documentaires ziet). Ondanks de kosten dus bezoeken, mensen.

En de kosten lopen richting Machu Picchu asymptotisch op. Een Cuscena Rubia (ja ik hanteer een bier-index) kost in Arequipa nog 8 soles; In Cusco is dat 10. In de Sacred Valley 12 en in Aguas Calientes, het dorp aan de voet van de berg betaal je minstens 15 soles. De kunst is dus zoveel mogelijk tijd op Machu Picchu door te brengen en voor de rest er zover mogelijk vandaan te blijven. Helaas is een overnachting in het verschrikkelijke Aguas Calientes niet mogelijk als je geen Inca Trail wil afleggen.

Door het massatoerisme staat het monument op de lijst van bedreigd werelderfgoed. Het zou me niet verbazen als het aantal toegelaten toeristen per dag de komende tijd verder wordt teruggebracht. Verder is de er commerciele druk. Plannen voor een kabelbaan (ja echt) en een batterij dure resorts langs en godbetert boven het complex zijn op het laatste moment verhinderd. Snel bezoeken dus nu het nog kan en dan met een respectvollere houding naar het verleden dan de gemiddelde dagjestoerist met een liefde voor het dumpen van plastic afval.

Lake Titicaca

Inmiddels ben ik verder afgezakt naar steden waar de centrale straat al lang niet meer genoemd is naar Mariscal Sucre (Ecuador) of Plaza de Armas (Peru) maar voor mij nog onbekend terrein. Het Titicacameer is niet voor mensen met hoogteziekte maar het uitzicht is magistraal. Om massatoerisme te mijden ben ik eerst aan de Peruaanse kant naar een eiland in de Uros archipel gegaan dat gerund wordt door een lokale familie. Echt regel dit soort dingen zelf en vermijd touroperators: je ziet meer, het is goedkoper en vooral boeiender. Verder is er niets dan een sporadisch geluid van een motorboot en een sterrenhemel. Daarna met de uitermate dubieuze busmaatschappij Titicaca, die dronken chauffeurs als specialiteit heeft naar Bolivia dus. Hier is het zo mogelijk nog meer laid-back dan in Peru. We gaan het zien.