Op een ochtend eind jaren ’70 stond ik uit het raam te kijken en me te verwonderen over de lente. Op de achtergrond klonk het geluid van de piano, bespeeld door mijn moeder, oefenend op een etude. Ik moet een jaar of 5 geweest zijn. De basisbeginselen van de piano had ik me eigengemaakt door op de kruk te klimmen, op toetsen te slaan en te kijken wat er gebeurt. Om dat in goede banen te leiden kreeg ik al even thuisles. De rest deed ik er zelf bij. Er moet een moment geweest zijn dat ik, van afstand, mijn moeder verbeterde bij een misser “Nee, dat moet geen B zijn, maar een Bes” en daarmee de oefening verplaatste naar mijzelf. “Hoe hoor jij dat?”, “Eh?! Gewoon”. Na wat testen met mijn rug naar de piano en mijn zus als controlekandidaat (zij kan het niet) bleek ik toonhoogten te kunnen benoemen zonder enige referentie. Sinds die dag ga ik met een absoluut gehoor door het leven.

Een absoluut gehoor is de gave om uit het niets een de muzikale toonhoogte van een geluid te kunnen benoemen (“Welke toonhoogte blaas ik met mijn trombone?” “een As”) of een toonhoogte juist te kunnen zingen zonder eerst een referentietoon te horen (“Zing een B in het 3e octaaf”). Het zal je niet verbazen dat dit bij muziek luisteren, componeren, maar vooral bij improviseren een enorm voordeel is. De verwerking gaat paralel. Ik kan gelijktijdig gespeelde tonen in een muziekstuk op juiste toonhoogte labelen, bepalen in welke toonsoort het geschreven is en de afzonderlijke tonen binnen akkoorden benoemen. Bij mijn muziekopleiding kon ik de solfege vakken nagenoeg overslaan. Live nieuwe partijen bedenken op bestaande muziek was geen probleem, ook niet als ik de muziek voor het eerst hoorde of alleen op de achtergrond aanwezig was.

Afgewezen op het conservatorium

Uit het dagelijkse leven heb ik wat trivialere voorbeelden. Zo vind ik het best handig te horen dat de stofzuiger tijdens het aanzetten al verstopt is omdat hij een halve toon hoger klinkt. Bij oudere computers hoorde ik aan de frequentie van de fan hoeveel % belasting de CPU had en ik herinner me een werkomgeving met allerlei Avaya telefoons in een open ruimte, waarvan je de beltoon alleen van toonhoogte kon veranderen. De mijne had ik op een Cis ingesteld, als enige, waardoor ik nooit onverrichterzake naar mijn telefoon hoefde te lopen. In mijn beste dagen liep mijn onderscheidende vermogen op tot minder dan een kwarttoon en ik herinner me tijden dat ik het verschil tussen een A 430 Hz en 440 Hz kon horen, maar die tijden liggen intussen achter me. Ik doe nu veel minder met muziek en dat heeft invloed.

Er worden op internet over een absoluut gehoor wat nadelen genoemd, maar ik vind het meevallen. De problemen hebben allemaal te maken met het verbreken van de relatie tussen toonhoogte en toonnaam. Als jonge puber heb ik ruzie gemaakt met een trompettist omdat ik nog niet wist dat veel koperblazers in Bes of Es zijn gestemd. (Wat genoteerd staat als een C, klinkt dan als een Bes of Es). Soms zijn getransponeerde muziekstukken irritant omdat ze vreemd aanhoren, vooral als de muziek me erg bekend is. Alsof je in je auto stapt en ineens zit het stuur rechts. De enige keer dat ik echt benadeeld ben was bij de toelating van het conservatorium van Den Haag waar ik een solfege luister- en notitieoefening moest doen in B. Het cassettebandje was vermoedelijk wat uitgerekt want de melodie stond zeker in Bes. Ik weigerde 5 kruizen voor te tekenen en zette koppig 2 mollen bij de sleutel. Daarmee was ik per definitie gezakt. Erg was het niet, want 2 weken later was ik aangenomen in Utrecht, mijn favoriet.

Chroma

Nu weet je wat ik met een absoluut gehoor kan, maar nog niet hoe ik het ervaar. Dat is lastiger uit te leggen. Ten eerste is het nogal een zeldzame eigenschap, die 1 op de 10.000 mensen bezit. Dat is niet veel. Ik ben in mijn 45 jaar nog nooit iemand anders tegengekomen met dezelfde eigenschap dus ik kan onmogelijk beoordelen hoe individueel mijn ervaringen zijn. Bovendien heb ik nooit geen absoluut gehoor gehad dus ik kan maar raden hoe de rest van de wereld muziek en tonaliteit beleeft. Daarom introduceer ik als werkbegrip de term chroma, enigszins geinspireerd op de filmtechniek en de kwamtumchromodynamica.

De 12 tonen uit het octaaf (C, C#, D, …, Bb, B) hebben voor mij niet alleen een eigen frequentie maar ook nog een eigen typische ‘kleur’ en deze specifieke muzikale kleur noem ik vanaf nu chroma. Dit chroma is uniek voor elke toon maar identiek per octaaf. Een F ‘kleurt’ in mijn waarneming subtiel anders dan een Fis, maar in welk octaaf die F zich bevindt maakt niet uit. Voor octaveringen moet ik dus terugvallen op een relatief gehoor, waardoor ik nogal eens octaaffouten maak. Dit chroma werkt ook associatief. Een muziekstuk in Fis heeft een andere emotionele lading dan een stuk in F. Chroma trekt zich op microniveau echter niets aan van harmonische, melodische of instrumentele context. Ik zal dus altijd de F uniek kunnen identificeren, ongeacht welke functie het heeft in de harmonie*, wat de toonsoort van de compositie is, welke functie het heeft in een melodie of met welk instrument het wordt gespeeld.

Auditieve kleuren

Vergelijk het met het zien van kleur. Tenzij je kleurenblind bent, zul je okergeel altijd kunnen onderscheiden van smaragdgroen. Ook bij schemering, bij snel doorbladeren van een prentenboek of op een complex schilderij met nog honderden andere kleurschakeringen. Kleuren hebben verschillende emotionele ladingen maar je kleurenonderscheidend vermogen trekt zich niets aan van de context en gaat bijna gedachtenloos aan je voorbij, zo vanzelfsprekend. Nu is er een klein verschil. Correct kleuren zien kan 95% van de bevolking, maar een absoluut gehoor bezit 0.01%. De maatschappij is er dus niet op ingesteld. (En dat is maar goed ook. Vervang een verkeerslichteninstallatie bij een druk kruispunt door een 3-tonige hoorn waarbij C staat voor ‘stop’ en D voor ‘gas’; Het zou resulteren in een levensgevaarlijke chaos). En zo ervaar ik auditieve kleuren, chromae, in een wereld gebouwd voor grijstinten.

Bijzondere hersenen

Het ontstaan van een absoluut gehoor is in nevelen gehuld. Dat komt deels door de geringe populatie, waarvan een deel het niet eens van zichzelf weet. Zelfs de vraag of het aangeboren is of aangeleerd is onderdeel van debat. Ik durf met mijn niet wetenschappelijk grote onderzoeksgroep van n = 1 (mijzelf), al te beweren dat de eigenschap is aangeboren. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die het op latere leeftijd heeft verworven, ook niet na intensief oefenen, terwijl ik toch tussen aardig wat fanatieke muzikanten heb geleefd. Dus trap niet dure trainingen van perfect-pitch charlatans die u magie beloven; het gaat niet werken en het is zonde van uw geld.

Ook de neurofysiologie maakt korte metten met de maakbaarheidswens. Uit onderzoeken blijkt dat de planum temporale in de linkerhersenhelft van mensen met een absoluut gehoor veel groter is dan bij de controlegroep. Het verschil van ontwikkeling van dit deel van de hersenen is al vroeg in de zwangerschap te zien. Er is ook sprake van extra verbindingen tussen de auditieve en de dorsale frontale cortex. Zeker is die volgordelijkheid niet, maar het zeker wel nature in plaats van nurture. Dit lijkt op de neurologische eigenschappen van mensen met synesthesie: het effect dat de waarnemingen van het ene zintuig doorslaan naar een ander en zo vermengen. Dat is een goede verklaring voor mijn perceptie van chroma. Nu is het ook zo dat de planum temporale een belangrijke rol speelt bij taalverwerving op jonge leeftijd, tot ca. 6 jaar.

Absoluut gehoor en erfelijkheid

De aanhangers van de theorie van de aangeleerdheid wijzen graag op de mogelijkheid dat een absoluut gehoor op jonge leeftijd wordt aangeleerd of juist afgeleerd bij gebrek aan muzikale uitdaging. Hierbij wijzen ze op sommige Aziatische landen met toontalen, waar de prevalentie van een absoluut gehoor 9x zo groot is. Ik vind het zwak bewijs, omdat zelfs dan nog 9991 van de 10.000 Vietnamese kinderen geen absoluut gehoor ontwikkelt, terwijl ze wel actief een toontaal leren. Hooguit werkt het, denk ik, als een tweetrapsraket waarbij je eerst een aangeboren eigenschap moet hebben en vervolgens het geluk om op zeer jonge leeftijd geconfronteerd te worden met voldoende muzikale input. En die input was bij mij thuis aanwezig.

Wat betreft erfelijkheid is er over absoluut gehoor vrijwel niets bekend. Hoewel ik me beslist bereidwillig opstel als onderzoeksobject, kan ik hier weinig betekenen. Er zal namelijk nooit een vijfjarig zoontje of dochtertje zich verwonderen over de lente terwijl ik op de achtergrond mijn muziek breng. Dus zal ik nooit weten of hij/zij na een tijdje roept dat ik een fout maak “Nee, dat moet geen B zijn, maar een Bes!”, laat staan dat we op latere leeftijd een discussie kunnen hebben over de perceptie van chroma. Ik heb geen kinderen en ben niet meer van plan ze ooit nog te krijgen.

*Neem er even een piano bij. Zo heeft het interval B-F (verminderde kwint) in een dominant septime in G, (G-B-D-F) een heel andere functie dan in een halfverminderd septime in B (B-D-F-A) maar het chroma van de 2 noten evenals het gecombineerde chroma van de 2 noten in zijn voor mij uniek identificeerbaar. Ook maken bij een gelijkzwevende temperatuur enharmonische verwisselingen niet uit. In Des is het interval B-F enharmonisch verwisseld naar een overmatige kwart Ces-F, maar bij een dominant septime in Des de 6 ligging (As-Ces-Des-F, zelfde functie als in G maar enharmonisch verwisseld) hoor ik exact hetzelfde chroma als in het eerste voorbeeld met G dominant septime.